De 2 brouwerijen van De Panne

hotel-a-la-ferme
In het midden de brouwerij La Fraternité van de gebroeders Huysseune

Vroeger had bijna elke gemeente 1 of meerdere brouwerijen. Dat was ook zo in De Panne.
In “’t Dorp” de brouwerij “St-Pierre” van Mahieu en in “’t Bad” de brouwerij “La Fraternalité” van de Huysseune’s. 
Vooral deze van Huysseune was zeer vooruitstrevend en was één van de grootste van het arrondissement Veurne (vóór WO I).  Dit was vooral te danken aan de dure installaties voor het brouwen van het moderne Pils bier.

plan-1911-voor-web1. Brouwerij Saint-Pierre [1876]
(Brouwerij Poupeye, brouwerij Rabaey, brouwerij Mahieu-Zeelaan- Brouwerstraat)

img_9486Over de uitbating van de brouwerij St-Pierre ten tijde van de familie Firmin Poupeye [1896-1905) en Ernest Rabaey (1905-1919) is weinig geweten. De Veurnse ingenieur en brouwer Firmin Poupeye (1876-1940) heeft de uitbating vanaf 1896 opgestart. Hij heeft van Pedro Ollevier, grondeigenaar en directeur van de Nationale Bank in veurne, een perceel bouwgrond gekocht op de hoek van de Zeelaan en de Brouwersstraat. De nieuwbouw bestond uit de bouwerij St Pierre, het woonhuis en de aansluitende herberg ‘Het Brouwersshof’.

Foto genomen vanaf Villa Beau Séjour.
Foto genomen vanaf Villa Beau Séjour met vooraan het koetshuis van Villa Star

Een jaar later in 1897 huwde Firmin Poupeye met Helena Plettinck. (1868-1903), afkomstig uit Meulebeke. Zij was de dochter van dokter Prudent Plettinck (1819-1888), burgemeester en bestendig afgevaardigde. Het huwelijksgeluk was echter van korte duur. Helena stierf 6 jaar later ten gevolge van een appendicitis in 1903.
Firmin Poupeye huwde een tweede maal op 19 juni 1904 met de Francaise Jeanne Couche, die hem aanspoorde zijn brouwerij in De Panne te verkopen en samen met een vennoot een brouwerij op te richten in Machelen (nabij Brussel). Deze onderneming liep in november 1906 faliekant af.
Na het vertrek van de familie Poupeye in 1906 was het de beurt aan Ernest Rabaey om in de brouwerij hét gerstenat te produceren. Hoewel voor het bedrijf een tijd van grote bloei aanbrak, die duurde tot na de Eerste Wereldoorlog, slaagde brouwer Rabaey er niet in om over te schakelen op het laag gegiste bier, en dit wegens de grote investeringen die nodig waren voor koelinstallaties en een gebrek aan opvolgers.

scan0009

Het was Henri Mahieu, gewezen burgemeester van St Rijkers (Alveringem), die na den oorlog, op 9 december 1919, de brouwerij, het woonhuis en de herberg aankocht. Hij kocht de brouwerij niet voor zichzelf, maar voor zijn zoon Marcel Mahieu. Na de bezetting van het Duitse Rijnland in 1919 keerde Marcel naar België terug en behaalde in 1921 zijn diploma aan de Hogeschool voor Gistingsbedrijven in Gent. In juli 1924 huwde Marcel Mahieu met Mariette Rabaey, dochter van hotelier Jules Rabaey en Emma Vantoortelboom (Grand Hotel de La Panne) en nicht van de voormalige brouwer Ernest Rabaey-Velghe.

Een eerste brouwsel van Marcel Mahieu werd gemaakt op 9 februari 1920. De brouwerij waar Mahieu tot 1954 bleef brouwen (volgens de traditionele artisanaal manier was vrij kleinschalig en de brouwinstallatie bleef sinds de oprichting in 1897 ongewijzigd), Er zou ook een stoommachine aanwezig geweest zijn  wat veronderstelt dat de brouwinstallatie of delen ervan mechanisch werden aangedreven.

De brouwerij Mahieu beschikte over een brouwinstallatie om uitsluitend bier van hoge gisting te brouwen, in het bijzonder bruin en blond tafelbier. Het bier werd doorverkocht aan de herbergen  die eigendom waren van de brouwerij o.a. ’t Wit Paard, Belgica, Brouwershof In Duinenzicht, Pavillon Belge, ’t Zwaantje, Beaulieu, Au Damier en Voetbalist. Met paard en kar werd aan huis geleverd tot in Nieuwpoort en Diksmuide. Voor de particulieren waren er tonnen van 75 liter en 40 liter. Jarenlang was brouwer Mahieu met paard en kar een vertrouwde verschijning in De Panne.

Uiteraard bracht de brouwerij Mahieu ook andere bieren aan de man, zoals Geuze Becasse en Stella Artois. De brouwerij fungeerde redelijk vroeg als depot voor de brouwerij Aigle Belgica uit Brugge. De bieren kwamen in wrak aan, werden ter plaatse gebotteld in flessen van 75 centiliter en van de nodige etiketten voorzien.

Marcel Mahieu kende ook een merkwaardige politieke loopbaan, van 1939 tot 1947 als schepen (o.a. openbare werken) (lees onder Leon Demailly>>), later nog enkele jaren als gemeenteraadslid. Tijdens de moeilijke periode in de bezetting heeft Marcel veel mensen plezier gedaan. Pannenaars zullen hem nog herinneren omdat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen de druk van de Katholieke Volkspartij in, stemde opdat ook de ouders van kinderen uit het Rijksonderwijs van kolen voor de verwarming zouden voorzien worden. Dat leverde hem de banbliksems van de toenmalige pastoor op.
De brouwerij kende tijdens de bezetting een grote verkoop Ze kende ook geen moeilijkheden met de bezetter. Wekelijks kwamen de Duiters uit Frankijk met een grote vrachtwagen met aanhangwagen zich bevoorraden. Om negen uur ‘smorgens werd de vrachtwagen op de binnenkoer gereden en ’s avonds om 17uur werd ze volgeladen weer opgehaald. Er onmiddellijk betaald met Duitse Marken. Er waren constant vijf personeelsleden in dienst die zich bezighielden met het wassen van flessen, het aftrekken van bier en het plakken van etiketten. Er werd een laatste maal gebrouwen in april 1947, om uiteindelijk alles te ontmantelen in april 1954. De bierhandel depot bleef bestaan tot in 1970. Op 14 december 1989 werd de brouwerij St-Pierre verkocht, in 1991 gesloopt. Mooie appartementen kwamen in de plaats (waar o.a. Gerda Galicia woont).

2. Brouwerij Huysseune [1897 , 21 jaar later dan hierboven]
(La Fraternalité, Huysseune, waar “winkelgalerij” was, nu Delhaize in de Zeelaan-Bad)
Franciscus Huysseune en zijn broer hebben vanaf 1897 pogingen ondernomen om tussen de Zeelaan-Meeuwenlaan een degelijke en moderne brouwerij uit te bouwen. Uit handen van Pedro Ollevier, grondeigenaar en directeur van de Nationale Bank in Veurne, kochten de Huysseunes een perceel waarop ze een brouwerij met woonhuis lieten bouwen.

hotel-a-la-ferme
Midden woonhuis van de brouwerij “La Fraternalité” met rechts café “’t Handelshuis” van Boury. Zie ook schoorsteen voor de stoomketel.

De Brouwerij “La Fraternalité”(1899), van de gebroeders Huysseune, was zeer vooruitstrevend voor zijn tijd. De gebroeders Huysseune beseften dat een artisanale brouwerij in De Panne niet lang kon blijven bestaan, en dat een modernisering noodzakelijk was om in de toekomst te kunnen blijven meedraaien. Uiteraard vereisten de nieuwe productietechnieken totaal andere installaties, ruimere bedrijfsgebouwen en vooral een grotere kapitaalsinbreng om de hoge investeringen te kunnen realiseren. Er werd een stoommachine gekocht zodanig dat een koelinstallatie kon aangedreven worden. Hierdoor kon men vanaf 1899 blonde pilsenerbieren brouwen (lage of ondergisting bij koudere temperaturen van 3 á 13 gr C). Met die installatie werden ook grote ijsblokken gefabriceerd. Hiermede kon het pils-bier fris gehouden worden in de herbergen. Dit was natuurlijk een enorm succes bij de toeristen en Pannenoars. Bier van constante kwaliteit met een mooie schuimkraag geleverd in flessen. Beter dan de flauwe, troebele vaak bitter smakende bieren van hoge gisting in vaten en met weinig schuim en  alcohol van 4,5 a 5 Vol %. De “Grand Hotels” waren een grote afname evenals de vele cafés die de brouwerij zelf opkocht om aldus zeker te zijn van hun afzet. Stelselmatig keerden de consument en de kusttoerist zich af van de troebele, vaak bitter smakende bieren van hoge gisting, die tot dan toe uit ondoorzichtige flessen werden gedronken. Ze werden dan ook beetje bij beetje van de markt gedrongen.
De andere brouwerijen in Adinkerke en ook brouwerij St-Pierre in de Zeelaan-dorp (later van Marcel Mahieu) konden die bieren niet brouwen.

Tegen de uitbating van de ijsfabriek/brouwerij was er in 1899 enig verzet gerezen door eigenaar aannemer Arthur Bonzel (uit Frankrijk) en zijn zaakgelastigde architect Albert Dumont (van Brussel). Bij de ontwikkeling van hun bouwprojecten in de Zeelaan paste de fabriek duidelijk niet in hun visie. Het gemeentebestuur van Adinkerke werd hieromtrent in september 1899 aangeschreven. Het College van Burgemeester en schepenen was van oordeel dat de bezwaren die door de heren Bonzel en Dumont werden aangehaald ‘eerder uit inbeelding als uit wezentlijkheid voorkomen; uit reden dat geburen en eigenaars nader gelegen van de brouwerij, dan de gronden dier heren voornoemd, geen minste aanklacht en verzet betekend hebben tegen het oprichten van de ijsfabriek’. De Bestendige Deputatie van West- Vlaanderen verleende Frans Huysseune op 19 oktober 1900 de gevraagde vergunning voor dertig jaar. Negen jaar later breidde de brouwerij opnieuw uit, van 830 m2 tot 900 m2.
De gebroeders Huysseune waren mannen van hun tijd en wisten perfect in te spelen op de veranderingen binnen de brouwerijnijverheid en dit in samenspel met het opkomende kusttoerisme in De Panne. Het lijkt er dus op dat brouwerij Huysseune en Compagnie een bloeiend bedrijf was met een uitgebreid clienteel. Hun lage gistingsbieren en andere bieren werden afgezet in de onmiddellijke omgeving van de brouwerij. Een volledige lijst met cafés waaraan de brouwerij leverde bevatte onder andere het hotel L’Ocean (zeedijk), hotel de Lille (Zeelaan), hotel de la Noble Rose (Koninklijke Baan), hotel du France (Zeelaan) en het Huis Petit Bruxelles (Koninklijke Baan). Deze herbergen waren hun eigendom waardoor de brouwerij verzekerd was van een vaste afzet. Dat was een strategie die de meeste brouwers in die tijd toepasten.

Ook in de oorlog draaiden de brouwerijen achter het front op volle toeren temeer doordat hun koperen installaties niet werden aangeslagen voor kanonnen. Ook na de WO I trok de wederopbouw van de frontstreek veel extra werkkrachten aan in De Panne waardoor het bierverbruik verder fel toenam. Vandaar dat weduwe Marie Huysseune en brouwerin Marie Lambrecht, mede dank zij de pilsbieren, schatrijk werden. In de volksmond werd gezegd : “Miette Huysseune was rijk en stak haar geld onder de matras en sliep op haar geld”.
Omdat de kleine familiale brouwerijen de concurrentieslag met de grote brouwerijen uiteindelijk niet langer aankonden, legde de weduwe en brouwerin Marie Lambrecht in 1950 haar roerstokken definitief ter zijde. Noodgedwongen werd de brouwinstallatie ontmanteld en werd de brouwerij omgevormd tot een magazijn

In Adinkerke waren er ook 2 brouwerijen: Brouwerij Marie-Joseph van de familie Vandenberghe in de Smekaertstraat (1870) en Brouwerij Ste-Cécile (1874) van Vanneste in de Stationstraat. Zij zijn er nooit in geslaagd een grote afzet te krijgen bij de kusthoreca waar de toeristen vroegen naar hoogwaardige pilsbieren. De Brouwerij van Huyseune was immers in 1906 de grootste van het ganse arrondissement Veurne.

BESLUIT

Op het einde van de 19 eeuw werden in Adinkerke vier familiale brouwerijen opgericht Marie-Joseph (1870), Ste-Cécile (1874), Huysseune & Cie [1894] en St-Pierre (1897). Alle brouwerijen werkten volgens de aloude artisanale brouwtechnieken en kenden een beperkte afzet naar particulieren en de verplichte herbergen. Enkel de gebroeders Huysseune wisten perfect in te spelen op de veranderingen binnen binnen de brouwnijverheid en slaagden erin vanaf 1899 over te schakelen op de aankomende trend, het laag gegiste bier. De andere brouwerijen hielden zich aan de traditie van hoge gisting, verbeterden geleidelijk aan hun producten. De brouwerijen kwamen min of meer ongeschonden uit de Eerste Wereldoorlog. Doch de geleidelijke mechanisering van de nijverheid, het invoeren van gebruik van flessen en de evolutie van het transportwezen vereisten hogere kapitaalinvesteringen. Wie het zich kon veroorloven trachtte daarenboven een ruimere afzet te verzekeren door het huren of het aankopen van herbergen in de onmiddellijke omgeving. De grote economische crisis van de jaren 1930 en de Tweede Wereldoorlog versnelden het concentratie- en schaalvergrotingsproces. De brouwerijen van en De Panne hadden het immers steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden. De plaatselijke bierproductie viel uiteindelijk stil tussen 1946 en 1954. De hoge koperprijzen tijdens de Koreaanse oorlog (1950-1953) hebben dit proces geactiveerd. De vrijgekomen bedrijfsruimten fungeerden voortaan als bierdepot voor de grote binnenlandse brouwerijen.

Onbekend's avatar

Auteur: DE BLIEDEMAKER

"Teruggespoelde" echte Pannenoar sinds 1993. Vroeger burgerlijk ingenieur bij ELECTRABEL, later zelfstandig natuurgids. Het e-mail krantje DE BLIEDEMAKER is gestart in september 2005

5 gedachten aan “De 2 brouwerijen van De Panne”

  1. Was de “Chasse Royale” in de Meeuwenlaan met gebouw palend aan de Koksijdesteenweg (thans Julien Demolderlaan) een brouwerij of een depot ? In mei 1940 werd het per ongeluk geraakt door een Duitse vliegtuigbom met gevolgen voor de bakkerij Idéal van mijn grootvader (nu Blomme) ?

  2. Van de “Chasse Royale” heb ik een heel vage herinnering als depot van Haacht en ook het Engelse Whitbread (opkomst van de “pellel”” bieren (pale ale) bij ons. Toen stoven iedere week op dezelfde vastgestelde weekdag 2 tankwagens van Whitbread door de Nieuwpoortlaan (komende van Oostende ?) en de Duinkerkelaan (richting Frankrijk ?)

Laat een reactie achter bij jean verslypeReactie annuleren

Ontdek meer van DE BLIEDEMAKER

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder